Zonneboiler

Zonneboiler

Zet zonlicht om in warmte en slaat die warmte op in een voorraadvat met water.

Profiteer momenteel van de premies die de overheid geeft op de zonnecollectoren, voor meer informatie ga naar http://www.energiesparen.be

 

Een zonneboiler zet zonlicht om in warmte en slaat die warmte op in een voorraadvat met water. Geeft het zonlicht niet voldoende warmte, dan zorgt de naverwarming ervoor dat we altijd voldoende warm water beschikbaar hebben.

De hoofdonderdelen van een zonneboiler zijn de zonnecollector, de leidingen, het voorraadvat, de regeling en de naverwarming.

  1. De zonnecollector vangt het invallende zonlicht op en zet het om in warmte. De collector geeft de warmte door aan een vloeistof die de zonnewarmte van de collector naar het opslagvat brengt.
  2. De vloeistof circuleert in de leidingen tussen de collector en het voorraadvat. De vloeistof neemt warmte op in de collector en geeft die af aan het water in het voorraadvat. De afgekoelde vloeistof wordt dan weer naar de collector gepompt om opnieuw op te warmen.
  3. Het voorraadvat zorgt ervoor dat de door de zon geproduceerde warmte wordt bijgehouden tot op het moment dat er warm water nodig is. Bij voldoende zonlicht kunnen de zonnecollectoren het water in het voorraadvat gemakkelijk opwarmen tot boven 80°C.
  4. De regeling schakelt de pomp aan zodra de zonnecollector warmer is dan het water in het voorraadvat. Ze beschermt eveneens tegen oververhitting.
  5. Als de zon niet voldoende warmte levert, zorgt de naverwarming ervoor dat de gewenste temperatuur bereikt wordt. De naverwarming is mogelijk een elektrische weerstand, een doorstroomtoestel op gas of de CV-ketel. Bij een duoboiler zit de naverwarming in het voorraadvat.

Hoe vangt de collector de warmte op?

De vacuümbuis, het hart van de zonneboiler

Het zonlicht valt in op een glazen buis waarin een tweede buis zit, die bedekt is met een speciale laag die bijna alle zonnestraling absorbeert en omzet in warmte.

De binnenste buis van de vacuümcollector is verbonden met een circuit van buizen. Door het circuit stroomt een vloeistof die de warmte opneemt en transporteert.

Isolatie aan de achterkant van de collector en het vacuüm tussen beide buizen vermijden dat er warmte verloren gaat naar de omgeving. Dat geheel vormt een vacuümcollector.

Om voldoende energie te kunnen leveren moet de zonnecollector zo geplaatst worden dat er zoveel mogelijk licht op valt.

Die hoeft dus niet per se pal naar het zuiden gericht te staan. Een oriëntatie tussen zuidoost en zuidwest en een hellingshoek tussen 20° en 60° leveren (ook in de winter) een zeer goede opbrengst.

Naast het systeem met de vacuümbuizen bestaat er ook nog het zogeheten meandersysteem. Bij dit systeem zitten de buizen verwerkt in de collector, die is opgebouwd uit glas, een absorber en isolatie.

Het glas biedt een mechanische bescherming en zorgt tevens voor een serre-effect.

De absorber zorgt voor een goede warmteoverdracht naar de koperen buizen.

De isolatie gaat warmteverliezen voorkomen.

Dit systeem wordt tegenwoordig het vaakst geplaatst.